Home
English
Introductie
Nieuws
Logboek
Ringen
Avifauna
Excursie
Kalender
Rapporten
Tellen
Pers
Politiek
Beheer
Gastboek
Links


Natuur uit de baggermolen

Opspuitterreinen, aangelegd voor de industrie, verwilderen binnen enkele jaren tot waardevolle stukken natuur.

Peter Meininger

Als men het heeft over gebieden die belangrijk zijn voor watervogels, gaan de gedachten meestal uit naar de Waddenzee, het Deltagebied, de Grote Rivieren en de Oostvaardersplassen in Zuidelijk Flevoland. Terecht wordt in de media veel aandacht besteed aan de bescherming van deze gebieden.

Toch weten weinig mensen dat zich vaak op korte afstand van hun woonplaats "miniatuur"-Waddenzeetjes, Flevolandjes en Oosterscheldetjes bevinden: de opgespoten terreinen. Opgespoten terreinen hebben een vogelbevolking die vaak grote overeenkomsten vertoont met deze bekende natuurgebieden.

Opspuitterreinen worden vooral aangetroffen in de Randstad, waar de bodem meestal niet stevig genoeg is om direct woningen en industrie? op te bouwen. Rond een toekomstig bouwterrein wordt een enkele meters hoge dijk opgeworpen. Hierbinnen wordt door middel van een pijpleiding een mengsel van zand en water gespoten. Het zand bezinkt, het overtollige water loopt weg en vervolgens begint een proces van rijping.

Na een periode van ?n tot enkele jaren is de grond bouwrijp. Vooral in de jaren zestig en zeventig zijn op vele plaatsen gebieden opgespoten ten behoeve van stadsuitbreiding, wegenaanleg en industrie?: de IJpolders langs het Noordzeekanaal bij Amsterdam de Bijlmermeer, Halfweg, Vlaardingen en het Rijnmondgebied.

In sommige gevallen werd zandwinning gecombineerd met de aanleg van een recreatieplas. De - veelal onbruikbare venige - bovengrond werd eerst verwijderd en tussen dijken gespoten. Vervolgens werd met zandzuigers de zandlaag weggezogen en naar elders afgevoerd, vaak voor de wegenbouw. Aldus ontstond een tientallen meters diepe plas. Dergelijke terreinen vinden we bij Alphen aan den Rijn, bij Zoetermeer en op Vlietland bij Leidschendam. Over het laatste gebied later meer.

Slikvlakte

Hoewel ze niet bewust als zodanig zijn aangelegd, zijn opgespoten terreinen over het algemeen buitengewoon rijke vogelgebieden. Direct na het opspuiten ontstaat een uitgestrekte slikvlakte met ondiep water. Deze ondiepe modderpoelen bieden ideale omstandigheden voor de voortplanting van bepaalde muggensoorten.

Het zijn waarschijnlijk deze muggelarven, die de voedselbron vormen van grote aantallen steltlopers, die neerstrijken op pas opgespoten terreinen. Vooral in de trektijden in voor- en najaar vinden we veel steltlopers op de opgespoten terreinen. Overigens begint de "najaarstrek" van veel noordelijk broedende steltlopers al midden in de zomer: eind juni en juli. Dan verlaten de volwassen vogels reeds de broedgebieden om in zuidelijker streken de rui door te brengen. De jonge vogels volgen pas later.

Dit verschijnsel verklaart waarom we op mooie dagen in juli of augustus op vers opgespoten terreinen een keur van steltlopersoorten kunnen aantreffen. Meestal trekken deze vogels 's nachts; normaal gesproken horen we ze alleen overtrekken.

In het voorjaar en in de zomer zijn de meeste steltlopers nog in zomerkleed, wat de determinatie vereenvoudigt. Met behulp van kijker en vogelgids is zonder veel moeite een groot aantal soorten te herkennen: Tureluur, Zwarte Ruiter, Groenpootruiter, Witgatje, Bosruiter, Kluut en diverse soorten strandlopers. Ook allerlei andere soorten watervogels zijn hier in het winterhalfjaar te zien: veel soorten eenden, zwanen en vaak de fraaie, zeldzame Lepelaar.

Lepelaars broeden in Noordwest-Europa alleen in Nederland, waar een totaal van slechts enkele honderden paren broedt in kolonies in o.a. het Naardermeer, de Oostvaardersplassen, het Zwanewater bij Callantsoog en op enkele waddeneilanden. Vooral na de broedtijd, van juli tot in september, worden opgespoten terreinen niet zelden bezocht door Lepelaars. Het is een bijna surrealistische aanblik, die een groepje fouragerende Lepelaars biedt: grote, statig voortstappende witte vogels, de lange lepelvormige snavels maaiend door het water, met als achtergrond de strakke lijnen van een in aanbouw zijnde nieuwbouwwijk.

Als er niet meer wordt opgespoten droogt het terrein snel uit en raakt begroeid. De ontwikkeling van de vegetatie (successie) verloopt meestal als volgt. In een nat stadium vestigt zich meestal als eerste de moesrasandijvie, een forse plant met gele bloemen, die het prima doet op dit soort terreinen. Als in de zomer de moerasandijvie bloeit roept dit herinneringen op aan koolzaad- of bollenvelden. Wanneer het water enigszins brak is, groeit er vaak de zeeaster of zulte, een verwant van de moerasandijvie, met paarse kroonbladeren en een hart van gele straalbloempjes.

Bij verdere uitdroging van het gebied vestigen zich tal van andere pioniersoorten. In een nog later stadium ontstaan er velden van riet en lisdodde en door het massaal opschieten van wilgen begint de vorming van natuurlijk bos.

Parallel aan de ontwikkeling van de vegetatie loopt die van de vogelstand; ieder vegetatiestadium kent zijn eigen vogelbevolking. Als het terrein pas enkele droge delen heeft, vestigen zich al broedvogels als Kleine Plevier Kluut en Visdief. De aanwezigheid van schelpenbankjes stimuleert de vestiging van deze soorten.

Als het terrein verder begroeid raakt vestigen zich soorten als Veldleeuwerik, Graspieper, Gele Kwikstaart, Slobeend en Kuifeend. Kluten kunnen zich alleen handhaven wanneer er ondiepe plasjes aanwezig blijven waarin ze voedsel kunnen vinden. In rietvelden vinden we vaak enorme aantallen Rietgorzen, Kleine Karekieten, Rietzangers, maar ook zeldzamer vogels als Bruine Kiekendief, Roerdomp en Baardmannetje. Wilgenbossen herbergen naarmate ze ouder en hoger worden steeds meer soorten zangvogels. Aanvankelijk domineert hier de Fitis, later vestigen zich ook Zwartkop, Tuinfluiter en Spotvogel.

Zaden

Langs dijken groeien vaak veel kruiden, die zaden produceren: distels, zuringsoorten en meldes. Deze planten trekken in herfst en winter grote groepen zaadetende vogels aan, bijvoorbeeld Kepen, Vinken, Kneuen, Groenlingen en Putters.

Het stadium met uitgestrekte rietvelden en wilgenstruweel wordt echter door lang niet alle opgespoten terreinen bereikt: vaak worden ze binnen enkele jaren volgebouwd en de vogelrijkdom was een zeer tijdelijke zaak.

Door overmoedige stadsplanningen en door de economische situatie bleef op, een aantal terreinen de verwachte industrievestiging uit, waardoor ze lange tijd braak bleven liggen en rietvelden en wilgenbossen zich konden ontwikkelen. Een in diverse opzichten uitzonderlijk opgespoten terrein is Vlietland bij Leidschendam. Dit 320 ha grote terrein ontstond in het eind van de jaren zestig en was vooral bedoeld als zandwinningsobject. Door het niet aanleggen van enkele rijkswegen in de omgeving verslechterden de afzettingsmogelijkheden voor zand. Hierdoor kon het zuidelijk deel van Vlietland, de Meeslouwerpolder, zich gedurende 15 jaar min of meer spontaan ontwikkelen.

De combinatie van een aantal factoren heeft ertoe geleid dat dit gebied in korte tijd is geworden tot ?n van de rijkste moerasgebieden in West-Nederland, zowel voor broedvogels als voor niet-broedvogels. Het is dan ook terecht dat door de Vogelwerkgroep Vlietland en de werkgroep Milieubeheer Leiden al jarenlang wordt gestreden tegen het alsnog opofferen van dit unieke gebied aan zandwinning en recreatie.


Uit: "NRC Handelsblad" - dd. 22 december 1983